Vorige week stond in de krant dat hoogopgeleide jongeren minder snel een vaste baan vinden.
Er zijn verschillende verklaringen voor. Maar het bericht roept ook een andere vraag op: hoeveel ruimte hebben organisaties vandaag nog voor mensen die een vak moeten leren?
Efficiëntie en rendement zijn belangrijke begrippen geworden in de manier waarop we naar organisaties kijken. Logisch. Mensen en middelen zijn schaars en de druk om resultaten te halen is groot.
Alleen verdraagt menselijke ontwikkeling zich niet altijd goed met die logica.
Een jonge medewerker heeft tijd nodig. Om te kijken hoe ervaren collega’s het aanpakken, vragen te stellen, iets uit te proberen en soms vast te stellen dat het niet werkt. Ook begeleiding vraagt tijd van mensen die zelf al een volle agenda hebben.
Wie alleen naar de onmiddellijke opbrengst kijkt, ziet vooral de kost daarvan.
Toch is iedere ervaren verpleegkundige, ingenieur, leidinggevende, technicus of financieel expert ooit zo begonnen. Ergens was er een organisatie die accepteerde dat iemand nog niet volledig productief was. Een collega die uitleg gaf. Een leidinggevende die verantwoordelijkheid gaf terwijl nog niet alles perfect ging.
We verwachten vandaag veel ervaring op de arbeidsmarkt. Tegelijk lijkt de bereidheid om mee te investeren in het ontstaan van die ervaring kleiner te worden.
Dat is een vreemde spanning.
Want wanneer iedereen op zoek gaat naar medewerkers die vanaf dag één renderen, ontstaat ervaring uiteindelijk nergens meer.
Misschien moeten we daarom anders kijken naar de uren waarin iemand nog leert, oefent of begeleiding nodig heeft. Ze verschijnen gemakkelijk als inefficiëntie wanneer we naar de korte termijn kijken.
Maar vakmanschap heeft nooit bestaan zonder die tijd.
Ook die tijd behoort tot de kost van goed werk.
