Accordeonuren klinken op het eerste gezicht als een vrij nuchtere oplossing.
Meer werken wanneer het nodig is. Minder wanneer het kan.
Daar is op zich niets mis mee. Voor veel organisaties is het zelfs logisch om arbeid beter af te stemmen op drukke en rustige periodes.
Maar bij mensen werkt capaciteit anders dan bij machines.
Bij machines kunnen we vrij precies berekenen hoeveel extra capaciteit mogelijk is. Bij mensen ligt dat moeilijker. Een mens kan ook tijdelijk meer aan. Soms zelfs veel meer dan we denken. Alleen: dat extra vermogen moet nadien ergens terug opgebouwd worden.
Niet alleen in uren.
Ook in rust. In herstel. In tijd waarin er even niets moet.
Precies daar ligt voor mij de interessante kant van accordeonuren.
Niet in de vraag of flexibiliteit goed of slecht is. Wel in de vraag of organisaties voldoende begrijpen dat menselijke inzet alleen duurzaam is wanneer oprekken en terugveren elkaar blijven afwisselen.
Wie alleen naar de piek kijkt, ziet vooral extra capaciteit.
Wie ook naar wat daarna komt kijkt, ziet iets anders: mensen zijn geen onuitputtelijke grondstof.
Misschien is dat uiteindelijk de echte betekenis van duurzaam personeelsbeleid.
Niet minder vragen.
Wel weten wanneer er opnieuw ruimte moet komen.
